vrijdag 21 januari 2011

De Tao van Pim en Pom


Pom: Wat zou jij doen als je rijk was?
Pim: Vis kopen. Een heleboel; zoveel als ik niet op kon.
Pom: Dan had je de volgende dag niks meer. Een beetje kat eet geen vis van één dag oud.
Pim: Ja, maar… Ik moest toch iets met m’n geld doen! Jij zou toch zeker ook vis kopen?
Pom: (gewichtig) Jawel…Maar ik kocht hele kleine visjes. Zó klein dat je er doorheen kijkt, dat je er niet over denkt om ze te eten.
Pim: Wat heb je er dan aan?
Pom: Luister… Die vissen deed ik in een watertje. Een mooi stil watertje waar vissen gauw groot in worden.
Pim: Ah! Maar dan moest je wel de hele dag bij je watertje zitten om op te letten dat ze er niet uitsprongen of dat er geen andere kat met z’n poten aankwam.
Pom: Dat dacht je! Daar nam ik een arm klein katje voor. Die zat daar de hele dag voor mij op te letten. Daar gaf ik hem natuurlijk een salarisje voor.
Pim: Wat is een salarisje? Een vis?
Pom: Nee, een salarisje is wat je iemand voor zijn werk betaalt. Dat arme katje kreeg per dag één visjes van mij.
Pim: Dus is salaris toch een visje.
Pom: Nou ja, goed… Voor dat arme katje was salaris een visje. Nu gaan we verder. Mijn vissen in dat watertje beginnen groot te worden. Wat doe ik dus?
Pim: (likt zijn bekje af) Je eet ze op en je geeft mij ook wat.
Pom: Het zijn er veel te veel om in één keer op te eten. Wat doe ik dus? Ik huur een katje om drie vissen per dag te vangen. Drie vissen is een aardig maaltje.
Pim: Maar ik zou toch ook wat krijgen?
Pom: daar zullen we het later over hebben. Ik huur dus een katje…
Pim: Wat even… Ben je niet bang dat dat katje, als ie toch bezig is, ook een paar visjes voor zich zelf pikt?
Pom: Nee… Dat katje krijgt ook een salarisje. Net als het katje dat op het watertje moet passen. Een derde katje komt mij de visjes brengen. Zó uit het water.
Pim: Hi hi… Dacht jij nou heus dat je ooit één visje te zien kreeg? Die arme sloeber heeft ze onderweg allang opgegeten!
Pom: Dacht je maar. Ook het derde katje krijgt een salarisje. Een klein visje.
Pim: Hoe geef je hem dat dan?
Pom: Hele goeie vraag. Ik had ook nog een vierde katje. Een secretaris. Ik denk er zelfs over om jou mijn secretaris te maken, Pim.
Pim: Wat doet een secretaris?
Pom: Alle werkjes waar zijn baas geen zin in heeft. De visjes uitdelen aan de arme katjes en opletten dat ze er toch niet stiekem eentje meer nemen.
Pim: Maar de secretais moet toch zelf ook eten?
Pom: Precies. Voor zijn werkjes krijgt hij twee visjes per dag.
Pim: Ooo… En jij?
Pom: Ik? Ik drie. Drie grote.
Pim: Goed… Ik dóé het. Ik word jouw secretaris.
Pom: Hee… Daar kijk ik van op. Jij bent geen kat om twee visjes te eten als ik er drie eet.
Pim: (lacht slim) Ik moet er niet aan denken om jou te zijn. Nooit meer lekker slapen, nooit meer koeskoezen, nooit meer op kattekwaad uit!
Pom: (verbaasd) Waarom niet?
Pim: Omdat je altijd bang zou zijn.
Pom: Bang? Waarvoor?
Pim: Dat je watertje met vissen opdroogde, dat je vissen er uitsprongen, dat je katje er niet goed op paste, dat het katje dat de vissen vangen moest er ééntje voor zich zelf pikte, dat het katje dat ze jou brengen moest onderweg niet overvallen werd door andere katjes, dat je secretaris niet alle visjes zelf hield en niets aan de andere katjes gaf. Of… of dat die vier katjes samen op een dag het hele viswater leeg zouden stelen en jou er in gooiden omdat je zo’n verschrikkelijke rijke gierige kat was.

Pom: (denkt heel lang na; heel ernstig) Pim, zullen wij één ding afspreken?
Pim: Wat?
Pom: Dat we nóóit… nóóit in ons leven rijk zullen worden?
Pim: En als we nou per ongeluk toch rijk worden?
Pom: Dan geven we het weg. Aan hele arme katjes, die ook wel eens koeskoezen willen en kattekwaad uithalen. Afgesproken?
Pim: Poot erop!
Pom: Poot erop!


Uit De Mies Bouhuys Pim-en-Pomnibus
ISBN 90 214 53657

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen